Bij vrijwel ieder ernstig arbeidsongeval, Seveso-incident of strafrechtelijk onderzoek wordt achteraf gekeken naar bestuurders, leidinggevenden en het veiligheidsbeleid. Veel minder aandacht is er voor de vraag welke signalen de ondernemingsraad vooraf had kunnen oppakken. Dat is opvallend, vindt Adam Ziolo. In dit artikel geeft hij aan de hand van de formaldehydezaak rond een luchtfilterfabriek antwoord op die vraag.
Casus
Werknemers werkten jarenlang op een glasafdeling waar bij het vervaardigen van filterdoek formaldehyde vrijkwam. In 2017 werd de afdeling stilgelegd. Het bedrijf werd veroordeeld. In januari van dit jaar, werden deze leidinggevenden, de vice president production en de plantmanager, wederom in hoger beroep veroordeeld tot wegens feitelijk leidinggeven aan overtreding van arbeidsomstandighedenvoorschriften (Rechtbank Overijssel, 25 februari 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:839 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:181).
De ondernemingsraad draagt geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor veiligheid. De OR is geen werkgever, geen toezichthouder en geen veiligheidskundige dienst. Toch beschikt de OR over wettelijke bevoegdheden die juist bedoeld zijn om risico’s zichtbaar te maken voordat zij escaleren.
Dit artikel onderzoekt niet of de OR aansprakelijk was. Dat was niet de inzet van de zaak. De vraag is praktischer en relevanter: welke vragen had een ondernemingsraad kunnen stellen toen signalen over gevaarlijke stoffen, risico-inventarisatie- en evaluatie (RI&E) -acties, metingen en voorlichting zichtbaar werden?
De OR is geen toezichthouder, maar wel een informatieknooppunt
De kracht van de OR ligt niet in het overnemen van veiligheidsbeleid. De kracht ligt in het stellen van vragen die zichtbaar maken of risico’s bestuurlijk worden beheerst. Juist bij arbeidsomstandigheden heeft de OR daarvoor een bijzondere positie.
Artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden (Wor) geeft de OR een stimulerende taak bij de naleving van voorschriften op het gebied van arbeidsomstandigheden. Die stimulerende taak maakt de OR niet verantwoordelijk voor de naleving van de Arbowet, maar geeft hem wel een zelfstandige positie om risico’s en tekortkomingen bespreekbaar te maken.
Artikel 31 Wor geeft de OR recht op informatie die hij redelijkerwijs nodig heeft voor zijn taak. Artikel 24 WOR biedt een periodiek overlegmoment over de algemene gang van zaken. Artikel 27 Wor kan relevant worden wanneer de ondernemer regelingen op het gebied van arbeidsomstandigheden vaststelt, wijzigt of intrekt.
De OR hoeft geen veiligheidskundige te zijn om die bevoegdheden zinvol te gebruiken. Vaak is niet de technische kennis doorslaggevend, maar het vermogen om bestuurlijke signalen te herkennen. Een meetrapport boven een grenswaarde, een openstaande RI&E-actie of een inspectiebevinding hoeft de OR niet zelf inhoudelijk op te lossen. De OR kan wel vragen wat ermee is gedaan.
Vraag 1: welke risico’s staan al langer bekend?
Ernstige incidenten ontstaan zelden uit volledig nieuwe risico’s. Vaak gaat het om bekende risico’s waarvoor opvolging uitbleef. In deze zaak waren er volgens de uitspraken meetrapporten uit 2008, juni 2010, oktober 2010 en 2017. Ook waren er RI&E-signalen uit 2014 en 2017 over gevaarlijke stoffen, grenswaarden, blootstellingsbeoordeling en noodzakelijke maatregelen.
Een OR had daarom kunnen vragen: welke ernstige veiligheidsrisico’s staan al langer open? Welke RI&E-acties zijn nog niet afgerond? Welke interne audits, externe rapporten of inspectiebevindingen wijzen op hetzelfde risico? En hoe lang is dit al bekend?
Die vragen zijn niet technisch, maar bestuurlijk. Zij dwingen de ondernemer om zichtbaar te maken of signalen worden opgevolgd. Een risico dat al jaren in rapportages voorkomt, maar niet wordt afgesloten met aantoonbare maatregelen, is geen papieren aandachtspunt meer. Het wordt een governancevraag.
Vraag 2: wie is eigenaar van de beheersmaatregelen?
Een veiligheidsmaatregel zonder eigenaar verdwijnt gemakkelijk tussen productie, HSE, onderhoud, inkoop en directie. Dat is vooral riskant bij gevaarlijke stoffen. Daar zijn vaak meerdere besluiten nodig: meten, beoordelen, ventileren, vervangen, instrueren, persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm’s) kiezen, budget vrijmaken en controleren of de maatregel werkt.
De OR kan daarom vragen wie verantwoordelijk is voor de opvolging van iedere beheersmaatregel. Wie bewaakt de actie? Wie rapporteert over voortgang? Wie controleert of de maatregel effectief is? Wordt hierover aan de directie gerapporteerd? En wanneer wordt een maatregel die achterloopt opnieuw op directieniveau besproken?
Hier raakt de OR direct aan de kernvraag: wanneer wordt een veiligheidsprobleem een bestuursprobleem? Dat gebeurt wanneer een bekend risico niet meer alleen een technische oplossing vraagt, maar besluitvorming, budget, prioriteit en toezicht op uitvoering.
Vraag 3: welke signalen bereiken de directie niet?
Veel veiligheidsproblemen escaleren omdat signalen onderweg hun kracht verliezen. Op de werkvloer wordt een afwijking normaal gevonden. Medewerkers melden minder omdat eerdere meldingen niets opleverden. Contractors signaleren problemen, maar die verdwijnen in projectoverleg. Productiedruk maakt dat tijdelijke oplossingen blijven bestaan.
De OR kan precies op dit punt waarde toevoegen. Niet door zelf onderzoeker te worden, maar door te vragen welke signalen vanuit werknemers, toolboxen, near misses, incidentmeldingen, auditrapporten en inspecties de directie bereiken. Ook kan de OR-vragen welke meldingen niet zijn geëscaleerd en waarom.
In de formaldehydezaak krijgt dit punt extra betekenis door de wijze waarop de ondernemingsraad in het vonnis voorkomt. De rechtbank bespreekt daar het verwijt dat onvoldoende voorlichting en onderricht over formaldehyde is gegeven. Werknemers verklaarden dat zij niet wisten dat formaldehyde vrijkwam, dat daarover niet werd gecommuniceerd en dat hun niets was verteld over de gezondheidseffecten van formaldehyde.
In dat verband citeert de rechtbank ook de voorzitter van de ondernemingsraad. Hij verklaarde dat hij vanaf 2010 voorzitter van de ondernemingsraad was en dat over formaldehyde in 2017 voor het eerst is gesproken binnen de Europese Ondernemingsraad. Voor 2017 was formaldehyde volgens hem nooit onderwerp van gesprek geweest.
Dat betekent niet dat de rechtbank een oordeel geeft over het functioneren van de ondernemingsraad. Dat doet zij niet. De verklaring laat wel zien dat een belangrijk arbeidsrisico jarenlang niet zichtbaar lijkt te zijn geweest op het niveau van de medezeggenschap. Juist dat roept een bredere OR-vraag op: welke ernstige arbeidsrisico’s zijn binnen het bedrijf bekend, maar nog niet met de OR besproken?
Vraag 4: welke acties uit de RI&E zijn achterstallig?
De RI&E is het fundament van het arbobeleid. Juist daarom moet de OR niet alleen vragen of er een actuele RI&E is, maar vooral welke acties daaruit nog openstaan.
In deze zaak benoemden de uitspraken dat de RI&E’s signalen bevatten over gevaarlijke stoffen en dat het beleid rond formaldehyde onvoldoende was uitgewerkt. Voor een OR is dat een belangrijk aanknopingspunt. De vraag is dan niet alleen: staat het risico in de RI&E? De vraag is: wat is er na die constatering gebeurd?
Concreet kan de OR-vragen om een overzicht van alle verlopen RI&E-maatregelen, met risico-inschatting, eigenaar, geplande einddatum, reden van vertraging en escalatieniveau. Bij hoog-risicoacties hoort bovendien de vraag of werkzaamheden tijdelijk moeten worden aangepast zolang maatregelen niet zijn uitgevoerd.
Vraag 5: wanneer is escalatie naar bestuur noodzakelijk?
Niet ieder arbopunt hoort direct op de bestuurstafel. Maar sommige signalen zijn zo zwaar dat zij niet in operationeel overleg mogen blijven hangen. Denk aan wettelijke overtredingen, herhaalde incidenten, overschrijding van grenswaarden, onvoldoende middelen, achterblijvende verbetermaatregelen of risico’s die kunnen leiden tot stillegging, ernstig letsel of strafrechtelijk onderzoek.
De OR kan daarom vragen welk escalatiekader de onderneming gebruikt. Wanneer wordt een arbeidsveiligheidsrisico besproken in het directieoverleg? En wie mag besluiten dat productie doorgaat zolang beheersmaatregelen nog niet aantoonbaar effectief zijn?
Die vragen leggen geen bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de OR. Zij maken zichtbaar of de onderneming zelf een werkend escalatiemechanisme heeft. Dat is precies de plek waar de OR waarde toevoegt: voorkomen dat bekende risico’s bestuurlijk onzichtbaar blijven.
Negen vragen voor de ondernemingsraad
- Welke ernstige risico’s staan momenteel open?
- Welke RI&E-maatregelen zijn verlopen?
- Welke incidenten keren steeds terug?
- Welke aanbevelingen uit audits zijn niet uitgevoerd?
- Welke veiligheidsmaatregelen wachten op budget?
- Welke risico’s zijn besproken in het directieoverleg?
- Welke risico’s zijn nog niet geëscaleerd?
- Welke inspectiebevindingen staan open?
- Welke functies hebben onvoldoende opleiding of instructie ontvangen?
Wat bekent deze uitspraak in de praktijk?
De ondernemingsraad voorkomt geen arbeidsongevallen door zelf veiligheidsbeleid te voeren. Dat is niet zijn taak en ook niet zijn verantwoordelijkheid. De meerwaarde van de OR ligt ergens anders: in het stellen van vragen waardoor bekende risico’s niet bestuurlijk onzichtbaar blijven.
De formaldehydezaak laat zien hoe belangrijk dat is. Meetrapporten, RI&E-signalen en informatie over gevaarlijke stoffen hadden aanleiding kunnen zijn voor vragen over opvolging, eigenaarschap, voorlichting, deskundigheid, budget en escalatie. Niet om de rol van directie, HSE of toezichthouder over te nemen, maar om zichtbaar te maken of het risico daadwerkelijk werd beheerst.
Opvallend is dat de ondernemingsraad slechts zijdelings in het vonnis voorkomt. Juist daarom is de zaak interessant. Waar meetrapporten, RI&E-bevindingen en signalen over gevaarlijke stoffen jarenlang aanwezig waren, verklaarde de voorzitter van de ondernemingsraad dat formaldehyde pas in 2017 binnen de Europese Ondernemingsraad werd besproken. De rechtbank verbindt daaraan geen oordeel over het functioneren van de OR, maar de constatering roept wel een relevante vraag op: hoe bereiken belangrijke veiligheidsrisico’s de medezeggenschap en wanneer blijven zij daar juist buiten beeld?
De les uit de formaldehydezaak is niet dat de ondernemingsraad veiligheidsproblemen moet oplossen. De les is dat een ondernemingsraad moet durven doorvragen wanneer risico’s jarenlang zichtbaar zijn zonder dat duidelijk wordt wie handelt, wie beslist en wie toezicht houdt op de uitvoering. Juist daar kan de OR bijdragen aan het voorkomen van bestuurlijke blindheid voor veiligheidsrisico’s.
Over de auteur

Adam Ziolo is hogere veiligheidskundige en jurist (mr.) met een focus op arbeidsveiligheid en Seveso-regelgeving. Hij geeft trainingen en publiceert (juridische) artikelen over EHS-leiderschap, gedrag, wetgeving en veiligheidscultuur.

Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.