De vraag hoe werkgevers moeten omgaan met slapende dienstverbanden blijft de gemoederen bezighouden. Waar het onderwerp ooit draaide om de transitievergoeding, gaat de discussie inmiddels óók over een nieuwe kwestie: bouwen werknemers in een slapend dienstverband eigenlijk nog vakantiedagen op? In dit blog zet Pascal Besselink de recente en uiteenlopende rechtspraak op een rij en laat hij zien waarom deze ogenschijnlijk eenvoudige vraag inmiddels heeft geleid tot verdeeldheid, Kamervragen én het voornemen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
Transitievergoeding
Iedere werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd heeft recht op transitievergoeding. Ook als sprake is van ontslag na twee jaar (loondoorbetaling tijdens) ziekte. Die vergoeding is 1/3 maandsalaris per gewerkt dienstjaar en kan bij lange dienstverbanden oplopen tot tienduizenden euro’s.
Slapende dienstverbanden
Na invoering van de wettelijke transitievergoeding in 2015 kozen werkgevers er massaal voor om arbeidsovereenkomsten met langdurig arbeidsongeschikte werknemers níet te beëindigen. Zo werd dan onder betaling van de transitievergoeding uitgekomen. Het begrip ‘slapend dienstverband’ was daarmee geboren. Slapend, omdat de zieke werknemer niet meer werkte en in aanmerking kwam voor een uitkering én de werkgever na die twee jaar geen loon meer hoefde te betalen.
De wetgever en later de Hoge Raad staken daar een stokje voor. De wetgever door een compensatieregeling op te tuigen waarbij de werkgever de aan de langdurig zieke werknemer betaalde transitievergoeding door UWV gecompenseerd kon krijgen. De Hoge Raad (HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734) door werkgevers te verplichten mee te werken aan verzoeken van werknemers om de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte te beëindigen om zo de transitievergoeding te kunnen cashen.
Exit compensatieregeling?
Met deze ingrepen verdween het allergrootste gedeelte van de slapende dienstverbanden. Iedereen tevreden zou je misschien denken, maar niet helemaal. Want de compensatieregeling kostte het UWV inmiddels meer dan 3 miljard euro. En die teller loopt maandelijks op. Reden voor de wetgever om opnieuw in te grijpen.
Begin december vorig jaar stuurde minister Paul van Sociale Zaken het ‘Wetsvoorstel beperking compensatieregeling langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers’ naar de Tweede Kamer. Als het aan de minister ligt krijgen grote werkgevers vanaf 1 juli 2026 geen compensatie meer van de transitievergoeding. Dit levert een besparing op van 380 miljoen euro per jaar.
De nieuwe coalitie gaat nog een stap verder. Als het aan haar ligt wordt de compensatieregeling namelijk voor álle werkgevers afgeschaft, zo is te lezen in het coalitieakkoord “Aan de slag”.
Als het UWV stopt met compenseren van de transitievergoeding is het zo goed als zeker dat veel werkgevers er weer voor zullen kiezen om arbeidsovereenkomsten met langdurig arbeidsongeschikte werknemers niet te beëindigen. Gevolg: opnieuw vele slapende dienstverbanden. En dat is niet gewenst. Dit zal namelijk leiden tot nieuwe procedures over slapende dienstverbanden en onzekerheid bij werkgevers en werknemers.
Als de wetgever dit allemaal wil voorkomen dan doet zij er goed aan om het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State, om meer fundamenteel te overwegen de verplichte transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid volledig te schrappen en zo de compensatieregeling in haar geheel overbodig te maken, over te nemen.
Opbouw vakantiedagen tijdens slapend dienstverband
Slapende dienstverbanden houden inmiddels ook nog over een ander onderwerp de arbeidsrechtelijke gemoederen flink bezig. Sinds enige tijd is er in de literatuur en rechtspraak namelijk discussie over de vraag of een werknemer die na twee jaar ziekte in een slapend dienstverband zit of wordt gehouden nog vakantiedagen opbouwt.
De kantonrechter Arnhem oordeelde vorig jaar zomer dat dit het geval is (Kantonrechter Arnhem 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7054). De Arnhemse rechter oordeelde als volgt: “Ingevolge artikel 7:634 lid 1 BW worden vakantiedagen alleen opgebouwd over de arbeidsduur waarover de werknemer loon ontvangt. [werknemer] had na einde wachttijd, per 1 maart 2024, geen aanspraak meer op loon. Dit zou betekenen dat hij, gelet op het bepaalde in artikel 7:634 BW, geen vakantiedagen meer heeft opgebouwd over de periode na 29 februari 2024. In de literatuur is echter terecht opgemerkt dat dit wetsartikel in strijd is met artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG en met rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU). Hoewel richtlijnconforme uitleg in dit geval contra legem (dat wil zeggen: tegen de wetsbepaling in) zou zijn, wat de rechter niet is toegestaan, biedt artikel 31 lid 2 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest Grondrechten EU) uitkomst. In dit artikel is immers ook het recht op vakantie neergelegd. Het HvJ EU heeft in het Max Planck-arrest verduidelijkt dat artikel 31 lid 2 Handvest Grondrechten EU kan worden ingeroepen in een geschil tussen particulieren. Verder heeft dat Hof geoordeeld dat, ingeval een nationale regeling niet op een zodanige manier kan worden uitgelegd dat zij verenigbaar is met artikel 31 lid 2 Handvest Grondrechten EU, het aan de rechter is om binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voortvloeit uit die bepaling en de volle werking daarvan te waarborgen door, zo nodig, de nationale regeling die daarmee strijdig is buiten toepassing te laten. In de literatuur wordt verdedigd dat op vergelijkbare wijze een Nederlandse werkgever zich niet kan beroepen op de beperking van artikel 7:634 lid 1 BW, inhoudende dat een werknemer alleen vakantie opbouwt als hij recht op loon heeft. Met andere woorden: dat een werknemer alleen vakantie-uren opbouwt over de tijd waarin hij aanspraak heeft op loon, is in strijd met Europees recht. Zieke werknemers bouwen de gehele ziekteperiode, en niet alleen de eerste twee jaren, volledig vakantie-uren op, ongeacht of zij arbeid verrichten en ongeacht of zij recht hebben op loon.”
Kamervragen
Naar aanleiding van deze uitspraak, waar wisselend op werd gereageerd, werden Kamervragen gesteld.
De toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid antwoordde hierop dat naar het oordeel van het kabinet de Nederlandse vakantiewetgeving niet in strijd is met Europees recht. Het kabinet was dan ook niet voornemens om tot een wetswijziging over te gaan.
Tegengeluid: geen opbouw vakantiedagen
December 2025 concludeerde de kantonrechter Groningen dat bij een slapend dienstverband juist geen recht bestaat op jaarlijkse vakantie met behoud van loon (Kantonrechter Groningen 19 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5517): “De kantonrechter is van oordeel dat bij een slapend dienstverband geen recht bestaat op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Er is een verschil tussen de arbeidsongeschikte werknemer die zich in de wachttijd van artikel 7:629 lid 1 BW bevindt en de arbeidsongeschikte werknemer met een slapend dienstverband. Artikel 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn spreekt over behoud van loon. In het geval van een slapend dienstverband bestaat geen recht op loon dus kan er van behoud van loon ook geen sprake zijn. Daarnaast kunnen de doelstellingen die artikel 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn beoogt te bereiken niet meer behaald worden. Tijdens de 104-weken wachttijd rust op zowel werkgever als werknemer een re-integratieplicht om zoveel als mogelijk te voorkomen dat een beroep op publieke middelen moet worden gedaan. De insteek in de wachttijd is dat de werknemer weer aan het werk gaat; dat kan zijn in de bedongen arbeid, andere passende arbeid of het zogenaamde tweede spoor. Bij die situatie past de gelijkstelling van de arbeidsongeschikte werknemer met de werknemer die daadwerkelijk heeft gewerkt. Bij een slapend dienstverband is duidelijk dat deze re-integratie niet is bewerkstelligd en ligt een aanvraag voor een WIA-uitkering in de rede. Bij een slapend dienstverband is de werkgever immers bevoegd om het dienstverband op te zeggen (artikel 7:669 lid 1 en 3, aanhef en onder b BW). De door het HvJ EU geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen niet meer worden behaald. Bovendien gaan de werkgever en werknemer er ook niet meer van uit dat de werknemer in de organisatie weer aan het werk zal gaan zodat de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemer niet op die wijze geborgd hoeft te worden. Tot slot valt de werknemer na de wachttijd vaak terug op een sociale zekerheidsuitkering welke uitkering in beginsel tijdens vakantie doorloopt zodat op die wijze ook voorzien wordt in vakantie met behoud van uitkering.”
In de maand februari 2026 volgden vrij kort na elkaar twee uitspraken van kantonrechters uit Dordrecht en Rotterdam. Beiden oordeelden dat er in het derde ziektejaar geen opbouw van vakantiedagen plaatsvindt.
De kantonrechter Dordrecht overweegt dat het Hof van Justitie EU onderkent dat er specifieke omstandigheden kunnen zijn die een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen en oordeelt dat van zulke omstandigheden sprake is in geval van een slapend dienstverband. Omdat volgens de Dordtse kantonrechter artikel 7:634 lid 1 BW niet strijdig is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest worden er in het derde ziektejaar volgens deze rechter geen vakantie-uren meer opgebouwd (Kantonrechter Dordrecht 5 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1215).
De kantonrechter Rotterdam volgt dit standpunt. Deze overweegt dat werknemers met een slapend dienstverband een WIA-uitkering of WW-uitkering ontvangen, waarin recht bestaat op vakantiedagen met behoud van uitkering. Als de werknemer in dezelfde periode ook nog betaalde vakantiedagen bij de werkgever zou opbouwen, dan is dat volgens de Rotterdamse kantonrechter dubbelop (Kantonrechter Rotterdam 24 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1852).
Prejudiciële vragen
Op basis van de tot en met februari 2026 gepubliceerde rechtspraak kon heel voorzichtig worden geconcludeerd dat van de kantonrechters die tot dan toe over dit vraagstuk moesten oordelen een groter deel in het kamp dat er in het derde ziektejaar géén vakantiedagen meer worden opgebouwd leek te zitten.
In de literatuur bleven echter diverse (op dit onderdeel gerenommeerde) auteurs van mening dat de oordelen uit Groningen, Dordrecht en Rotterdam onjuist zijn. Dit los van of zij de uitkomst redelijk vinden. Er zijn ook schrijvers die het juist achten dat vorderingen van werknemers worden afgewezen. En ten slotte werd her en der geopperd om over dit onderwerp prejudiciële vragen aan de Hoge Raad of zelfs direct aan de Europese rechter, het Hof van Justitie EU, te stellen.
De kantonrechter Rotterdam (een andere dan in de hiervoor aangehaalde Rotterdamse zaak) had hier oog voor (Kantonrechter Rotterdam 2 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2021). Zij overwoog in een uitspraak van 2 maart 2026 ermee bekend te zijn dat over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband inmiddels meerdere procedures zijn gevoerd. Een aantal van deze zaken is geëindigd in een schikking. In een zestal beschikkingen van kantonrechters is het tot (deels tegenstrijdige) uitspraken gekomen, aldus de kantonrechter Rotterdam.
Zij vervolgt dan met de opmerking dat de literatuur ook verdeeld is. Naar haar verwachting zal over dit onderwerp nog veel vaker worden geprocedeerd, tot de Hoge Raad uitsluitsel geeft over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband. Navraag bij de Hoven leerde de kantonrechter Rotterdam, dat over dit onderwerp op dit moment nog geen zaken aanhangig zijn.
En, nu komt het. Om aan de onduidelijkheid en (rechts)onzekerheid (relatief) zo snel mogelijk een eind te maken overwoog de kantonrechter het voornemen te hebben om aan de Hoge Raad deze prejudiciële vraag te stellen: “Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?”
Over die aan de Hoge Raad voor te leggen vraag mogen partijen zich binnenkort uitlaten. En dan is het aan ons hoogste rechtscollege om die vraag te beantwoorden.
Maar zijn we er dan? Volgens een in vakantiewetgeving gespecialiseerde arbeidsrechtadvocaat niet. Deze is namelijk van oordeel dat de Hoge Raad – als hij voornemens is om de opbouw van vakantiedagen tijdens een slapend dienstverband af te wijzen – op zijn beurt weer prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie EU.
Oftewel: het gaat voorlopig nog wel even duren voordat er voor eens en altijd duidelijkheid is over de vraag of een werknemer in een slapend dienstverband, dus na twee jaar ziekte, vakantiedagen blijft opbouwen.
Advies
Zolang over dit onderwerp nog geen knoop is doorgehakt door de hoogste rechter doen werkgevers er verstandig aan om voor de zekerheid de arbeidsovereenkomst met de langdurige arbeidsongeschikte werknemer direct of zo snel mogelijk nadat die werknemer twee jaar arbeidsongeschikt is (en vast staat dat die werknemer niet meer zal -kunnen- re-integreren) te beëindigen.
Zolang de compensatieregeling nog bestaat kan de werkgever via UWV immers nog aanspraak maken op compensatie van de transitievergoeding. En bij het tijdig (dus op het moment dat de werknemer twee jaar arbeidsongeschikt is) beëindigen van de arbeidsovereenkomst wordt voorkomen dat er mogelijk ook daarna nog vakantiedagen worden opgebouwd en moeten worden uitbetaald. Better safe than sorry!
Over de auteur

Pascal Besselink is advocaat arbeidsrecht bij DAS. Pascal is medeauteur van het Arbo-informatieblad AI-76 Alcohol, drugs en medicijnen beleid (ADM-beleid). Deze online uitgave is gepubliceerd op de kennisbank Sdu HSE.

Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.