Ecodesign wordt steeds belangrijker in de overgang naar een circulaire economie. In dit blog laat Gerd‑Jan Frijters zien hoe niet alleen wetgeving, maar vooral onze eigen keuzes als consument en inkoper bepalen hoe producenten ontwerpen. Want uiteindelijk geldt: de vraag stuurt het ontwerp.
De producent
Minder dan zeven procent van alle materialen die we jaarlijks in de wereld gebruiken is niet circulair, en wordt dus gemaakt van primaire grondstoffen. Anders gezegd, meer dan 93 procent van alle materialen wordt niet hergebruikt of gerecycled (maar weggegooid of verbrand). Dat moet anders. Laten we eens kijken wat jij in privé of in je werk kunt doen om dit te beïnvloeden. In een aantal eerdere blogs ben ik ingegaan op de circulaire economie. Check bijvoorbeeld Nederland scherpt circulaire doelen aan en Circulair innoveren in de praktijk.
Een circulair product begint bij de vraag ernaar. Vraag bepaalt het ontwerp. Een circulair ontwerp noemen we ook wel ‘ecodesign’. Producenten krijgen, naast een veranderende vraag, een zetje vanuit de Europese ESPR (Ecodesign for Sustainable Products Regulation). Deze verordening verplicht ontwerpers om alles wat gemaakt wordt (producten, (kapitaal)goederen) circulair te ontwerpen. ESPR is sinds 2024 rechtstreeks van kracht in alle lidstaten.
Ecodesign moet leidend gaan zijn voor fabrikanten, ontwerpers en ontwikkelaars. Ontwerpprincipes zijn een langere levensduur, losmaakbaarheid, repareerbaarheid, minder gebruik van grondstoffen en meer transparantie via bijvoorbeeld een digitaal productpaspoort (DPP). Via een life cycle assessment (LCA) wordt iedere levensfase van een product beoordeeld op effecten op natuur, milieu en klimaat.
De gebruiker (consument, inkoper)
Maar er is een kracht die minstens zo belangrijk is als wetgeving: de vraagzijde. Wijzelf hebben een enorme invloed op de producenten door ons koopgedrag privé en in ons werk. De grootste verandering komt dus vanuit onszelf.
Als wij (consumenten, bedrijven en (semi)overheden) massaal kiezen voor circulaire producten, beweegt het aanbod van producten vanzelf mee. Ontwerp volgt immers marktprikkels. Wie betaalt, bepaalt. De vraag is dus niet alleen: wat moet een producent doen? De vraag is: wat vragen wij zelf?
Anders kijken
Traditioneel kopen we op basis van aanschafprijs, uiterlijk of merk. Marketing- en reclamebureaus doen er alles aan om ons in de gewenste richting te duwen. Hooguit nemen we het energieverbruik van een product (energielabel) mee in onze beslissing.
Onze lineaire economie is op deze manier ingericht. De producent zoekt naar de laagste productiekosten zodat de winst maximaal is. Externe kosten door schade aan milieu, natuur, klimaat en maatschappij, komen voor rekening van de maatschappij, en betalen we dus uiteindelijk zelf. Sterker nog, er zijn veel bedrijven die over hun hele bestaan meer maatschappelijke kosten veroorzaken dan dat ze winst maken (tabaksindustrie, fossiele energiebedrijven, vliegmaatschappijen).
Een lineaire economie streeft naar een korte levensduur, zodat een product snel vervangen wordt. Dat staat haaks op een lange levensduur die in een circulaire economie nagestreefd wordt. Door circulair te gaan (in)kopen verlagen we onze gezamenlijke maatschappelijke kosten.
Wat als we op een andere manier naar producten gaan kijken:
- Wat kost ons dit product over de hele levensduur? (onderhoud, energie, updates)
- Wat kost dit product de maatschappij over de hele levensduur? (milieu- en maatschappelijke kosten), wat is de true price?
- Waar is het product gemaakt, waar komen de grondstoffen vandaan?
- Kan ik het tweedehands of refurbished kopen?
- Kan ik het leasen, lenen of huren?
- Hoe lang gaat het mee en is het repareerbaar?
- Kan het worden hergebruikt, gerefurbished of gerecycled aan het eind van de levensduur?
- Welke informatie haal je uit de life cycle assessment (LCA)?
Wanneer inkopers deze vragen structureel meenemen in aanbestedingen of selectiecriteria, verandert het ontwerpgedrag van producenten direct. Veel (semi-)overheidsinstanties omarmen mvi (maatschappelijk verantwoord inkopen). Circulair en biobased inkopen zijn hier onderdeel van. Dat is een mooi begin dat navolging verdient.
Praktijkvoorbeeld 1: een nieuwe woning kopen of laten bouwen
Als particulier of zakelijke opdrachtgever kun je enorme invloed uitoefenen bij woningbouw.
Traditionele vraag:
- Wat kost de woning per m²?
- Hoe hoog is het energielabel?
Circulaire vraag:
- Wat is de materiaalgebonden CO₂-uitstoot (LCA of Nationale Milieu Database)?
- Wat zijn de CO₂ kosten hiervan (reken bijvoorbeeld met € 100,- per ton CO₂ emissies)?
- Zijn materialen losmaakbaar toegepast?
- Is er een materialenpaspoort beschikbaar?
- Wat kost een huis over de hele levensduur?
- Hoe flexibel is de indeling voor toekomstige aanpassingen?
- Hoeveel hergebruikte, biobased of gerecyclede materialen zijn gebruikt, en wat is het effect hiervan op de CO₂ emissies?
Wanneer kopers of woningcorporaties dit structureel eisen, verschuift de markt naar:
- Houten (draag)constructies.
- Biobased isolatie.
- Prefab, demontabele bouwsystemen.
- Lagere materiaalgebonden CO₂ emissies en mogelijk zelfs CO₂ opslag.
De aannemer of ontwikkelaar volgt simpelweg de uitvraag. De woningbouw is een enorme veroorzaker van CO₂e emissies (vooral door productie van beton, cement en staal). Biobased materialen nemen tijdens de productie (groei) juist CO₂ op. Op deze manier kan een woning zelfs CO₂e negatief zijn, dus CO₂e opslaan in plaats van uitstoten.
Praktijkvoorbeeld 2: hygiëneproducten (particulier én bedrijf)
Denk aan toiletpapier, handdoekrollen, zeepdispensers. Wat kun je vragen?
- Percentage gerecycled materiaal?
- FSC- of PEFC-certificering?
- Navulbare systemen in plaats van wegwerp?
- LCA-onderbouwing?
- Verpakking recyclebaar of herbruikbaar?
Wanneer organisaties overstappen op navulsystemen en geconcentreerde producten, verandert niet alleen het product, maar ook het businessmodel van leveranciers.
De verschuiving van wegwerp naar herbruikbaar begint bij de inkoper die niet langer alleen naar prijs per doos kijkt, maar naar grondstoffengebruik en afvalreductie.
Praktijkvoorbeeld 3: (bedrijfs)kleding
De kledingindustrie (en vooral fast fashion) is een klassiek voorbeeld van lineair ontwerp: lage prijs, korte levensduur, hoge negatieve impact op natuur, milieu, klimaat en maatschappij.
Wat kan de consument of inkoper doen?
- Vragen naar levensduur en reparatiemogelijkheden
- Kiezen voor merken met gerecycled of biobased materiaal
- Kiezen voor tweedehands kleding
- Eisen dat leveranciers inzicht geven in hun LCA
- Leasemodellen of terugnameprogramma’s stimuleren
- Bedrijfskleding inkopen met modulaire vervangbare onderdelen
Wanneer bedrijven in aanbestedingen een minimale levensduur of terugnamegarantie eisen, dwingt dat een circulair ontwerp af. Kleding- en modebedrijven reageren snel op marktsignalen. Vraag bepaalt ontwerp. Pas dit ook toe als je privé kleding koopt. Stel vragen.
Praktijkvoorbeeld 4: apparatuur (huishoudelijk en zakelijk)
Bij wasmachines, koelkasten of professionele apparatuur kun je verder kijken dan het energielabel.
Circulaire selectiecriteria:
- Hoe lang zijn reserveonderdelen beschikbaar?
- Is het apparaat modulair opgebouwd?
- Is het eenvoudig te demonteren en te repareren?
- Wat zegt de LCA over productie-impact?
- Is een refurbished variant beschikbaar?
Voor bedrijven geldt hetzelfde bij professionele machines, koffiesystemen of printers. Vraag naar:
- Refurbished modellen.
- Leaseconstructies.
- Pay-per-use modellen.
- Terugname(garantie) aan einde levensduur.
Wanneer inkopers geen wegwerpapparatuur meer accepteren, wordt levensduur automatisch een ontwerpparameter.
Praktijkvoorbeeld 5: ICT-hardware
ICT is een van de meest grondstof intensieve sectoren, denk bijvoorbeeld aan de kritieke metalen in apparatuur (laptops, servers, smartphones, netwerkapparatuur).
Wat kun je eisen?
- Modulaire laptops met batterij en geheugen die je zelf makkelijk kunt vervangen.
- Minimaal 5–7 jaar software-ondersteuning.
- Refurbished opties als standaard keuze.
- Terugname- en programma’s voor inzet elders.
- Transparantie over kritieke grondstoffen.
Voor (semi)overheden kan circulair inkopen van ICT enorme impact hebben. Wanneer aanbestedingen minimale repareerbaarheid en hergebruik eisen, wordt dat direct vertaald naar ontwerp. Zeker als de kosten en de prestaties over de hele levensduur leidend zijn, en niet alleen de aanschafprijs. De producent volgt de vraag.
Praktijkvoorbeeld 6: meubelen
Kantoormeubilair en woninginrichting zijn bij uitstek geschikt voor circulaire strategieën. Traditioneel kopen we meubelen op basis van laagste prijs, design of snelle levering.
Circulaire uitvraag:
- Demontabel ontwerp?
- Onderdelen vervangbaar?
- Materialenpaspoort beschikbaar?
- Terugkoopgarantie?
- Refurbished of tweedehands mogelijk?
- Lease of pay-per-use mogelijk?
Veel meubelfabrikanten bieden inmiddels circulaire modellen aan, maar alleen als de klant er expliciet om vraagt. Wanneer bedrijven kiezen voor leasing in plaats van bezit, blijft de producent eigenaar van de materialen. Dat stimuleert ontwerp voor hergebruik. Hoe langer een product meegaat, hoe meer de producent eraan kan verdienen.
Hoe meet je als inkoper circulariteit?
Je hoeft geen duurzaamheidsexpert te zijn om de juiste vragen te stellen. Onderstaande voorbeelden geven je kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de circulariteit van een product.
- 1. LCA-rapportage:
- Is de milieu-impact onderbouwd?
- Wordt de volledige levenscyclus meegenomen?
- 2. Milieu-informatie:
- PEF (product environmental footprint).
- EPD (environmental product declaration).
- MPG (milieuprestatie gebouwen).
- MKI (milieukostenindicator).
- 3. Materiaalinformatie:
- Materiaalgebonden CO₂ e uitstoot en -opslag.
- CI (circulariteitsindex).
- Herkomst van grondstoffen (% hergebruikt, recycled, biobased, lokaal gewonnen of geoogst)
- 4. Levensduurindicatoren:
- Garantieperiode.
- Beschikbaarheid onderdelen.
- Software-updates.
- 5. Terugname en hergebruik:
- Losmaakbaarheid (%)
- Bestaat een retour- of refurbished programma?
- Is er een terugkoopgarantie?
- 6. Businessmodel:
- Is leasing of huur mogelijk?
- Wordt waarde behouden?
Je hoeft niet alles zelf te berekenen. Je hoeft alleen de juiste vragen te stellen.
De marktdynamiek: waarom vraag sterker is dan wetgeving
Wetgeving zoals de ESPR is belangrijk om de ondergrens te stellen, als prikkel voor de producent en importeur. De markt bepaalt echter het tempo.
Een circulair ontwerp wordt economisch aantrekkelijk wanneer:
- Consumenten lagere kosten zien over de hele levensduur en wellicht een iets hogere aanschafprijs zullen accepteren
- Bedrijven en Overheden total cost of ownership (TCO) hanteren in plaats van aanschafprijs of investering
- Ecologische en maatschappelijke waarde wordt meegerekend over de hele levensduur
- Banken en investeerders duurzaamheid meewegen in aantrekkelijke financieringsvormen
Fabrikanten bewegen niet primair uit idealisme (behalve bijvoorbeeld B-corp bedrijven zoals Triodos en Fairphone), maar reageren op marktvraag en streven naar winstmaximalisatie.
De echte omslag: van goedkoop naar waarde
De grootste barrière voor ecodesign is niet techniek, want die is er al lang. Het is onze (in)kooplogica. Zolang de laagste prijs leidend blijft, blijft lineair ontwerp dominant. Zodra ecologische, sociale en economische waarde en prestaties over de gehele levensduur centraal staan, verandert het speelveld.
Als consument ben je van grote invloed op dit proces, door minder, maar beter te kopen, door repareerbaar in plaats van vervangbaar te kiezen en herbruikbaar in plaats van wegwerp.
Als professioneel inkoper kun je:
- Circulaire criteria opnemen in aanbestedingen
- Minimale levensduur eisen
- Gunnen op basis van kosten en prestaties over de hele levensduur
- Terugnamecontracten afsluiten
- Leveranciers laten onderbouwen met LCA-data
Conclusie: ontwerp volgt vraag
Ecodesign wordt soms gepresenteerd als een wettelijke verplichting die in Brussel wordt bedacht en onze bedrijven op kosten jagen. Dat is echter niet helemaal waar. Een circulaire economie kan de totale kosten voor bedrijven en de maatschappij omlaag brengen. Nog los van de voordelen voor natuur, milieu, klimaat en bijvoorbeeld een lagere afhankelijkheid van autoritaire regimes om grondstoffen te kunnen krijgen.
De echte motor voor circulariteit zit aan de vraagzijde, bij onszelf dus. Jij geeft signalen aan de markt die verandering in gang zetten, iedere keer als jij of jouw organisatie:
· Een vraag hierover stelt aan een leverancier, in een winkel of webshop.
· Een woning of gebouw circulair uitvraagt.
· Een laptop refurbished inkoopt.
· Circulariteit in een aanbesteding zwaarder laat wegen dan prijs.
Wanneer de vraag naar circulaire producten structureel toeneemt, wordt lineair ontwerp simpelweg economisch onaantrekkelijk.
Ecodesign begint (uitzonderingen daargelaten), niet bij de fabrikant.
Het begint bij degene die koopt, bij consumenten en bedrijven, dus bij jou en bij mij.
Over de auteur

Gerd-Jan Frijters is eigenaar van Greenhousemonkeys, projectleider duurzaamheid en circulariteit bij Lente, koepel van acht woningbouwcorporaties, eigenaar van FB Investeringen b.v (o.a. mkb-financiering) en bestuurslid van ZeroWasteNederland. Gerd-Jan is auteur van het Arbo-informatieblad AI-84 Duurzaam ondernemen (MVO, CSRD, ESG). Deze online uitgave is gepubliceerd op de kennisbank Sdu HSE.

Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.